‘De puurheid van de doelgroep. Ik heb met verschillende groepen gewerkt: mensen met moeilijk verstaanbaar gedrag, meervoudig beperkte cliënten en nu met de LVB-doelgroep. Wat ik mooi vind, is dat cliënten vaak heel eerlijk zijn. Ze winden er geen doekjes om en zeggen gewoon waar het op staat. Dan weet je meteen waar je aan toe bent. Ik hou daarvan. Soms denk ik weleens: daar kunnen wij nog best iets van leren.’
JUIST DE KLEINE DINGEN MAKEN DIT WERK ZO GROOTS.
Mirjam heeft een echt zorghart. Ze werkte jarenlang met dementerende ouderen, had een eigen bedrijf in de kinderopvang en vond uiteindelijk haar plek in de gehandicaptenzorg. Daar werkt ze inmiddels al zo’n dertien jaar. Sinds een jaar doet ze dat als ambulant begeleider, nadat ze eerder op een woongroep werkte. In de begeleiding van cliënten zoekt Mirjam altijd naar gelijkwaardigheid. Niet erboven staan, maar ernaast.
Wat spreekt jou aan in de gehandicaptenzorg?
Je bent op latere leeftijd nog een opleiding gaan doen. Hoe was dat?
‘Toen ik al in de gehandicaptenzorg werkte, heb ik de opleiding maatschappelijke zorg gedaan. Drie jaar lang, één dag in de week naar school naast mijn werk. Dat was best pittig, maar ik vond het ook heel waardevol. Je leert zo opnieuw naar je vak kijken en krijgt meer verdieping in wat je doet. En leren is echt niet iets om alleen te doen als je jong bent! Ik ben nu ook weer aan het kijken of ik me verder kan specialiseren.’
Waarom past ambulant werk bij jou?
‘Als ambulant begeleider werk je heel zelfstandig én is geen dag hetzelfde. Meestal begin je rustig met een kop koffie of thee en kijk je samen: wat speelt er vandaag, wat moet er gebeuren, waar ligt de behoefte? Bij de ene cliënt ga je meteen aan de slag, bij de ander moet je eerst veel meer aansluiten bij hoe het die dag gaat. Dat schakelen hoort er echt bij.
Als ambulant begeleider kom je heel dicht bij iemands eigen leven. Je kijkt samen hoe iemand zo zelfstandig mogelijk kan wonen en leven. Ik noem mezelf een bruggenbouwer. De ene keer help ik iemand heel praktisch op weg, de andere keer denk ik mee over een plan of bied ik vooral rust en overzicht. Ik sla eigenlijk een brug tussen wat iemand zelf kan en waar nog ondersteuning bij nodig is.’
Wat vind je lastig?
‘Ambulant werken betekent dat je veel zelfstandig moet doen. In het begin vond ik het plannen bijvoorbeeld best een uitdaging: hoe deel je je dag handig in, hoe reis je slim van cliënt naar cliënt, hoe houd je overzicht? Dat leer je natuurlijk, maar het kost tijd. Ik vind het nog steeds soms lastig dat je minder vanzelfsprekend collega’s om je heen hebt dan op een woonvorm. Daar loop je makkelijker even naar iemand toe om te overleggen. Nu moet je dat echt zelf organiseren. Gelukkig zijn collega’s altijd bereid om mee te denken, maar je moet wel zelf die stap zetten. ’
Wat maakt jouw werk zo mooi?
‘Dat je echt een band opbouwt met mensen. Zeker in ambulante begeleiding kost dat tijd, maar juist dat maakt het waardevol. Je komt bij iemand thuis, in iemands eigen omgeving, en stap voor stap groeit het vertrouwen. Als iemand merkt dat je doet wat je zegt en zegt wat je doet, dan ontstaat er iets. Dat vind ik heel mooi.
En de allermooiste momenten zitten vaak in kleine dingen. Ik hielp laatst iemand met het leren gebruiken van een nieuwe combimagnetron. Daar zijn we best lang mee bezig geweest, stap voor stap, met picto’s en veel uitleg. Later bakte diegene een appeltaart voor me, omdat het gelukt was. Dat zijn voor mij echt cadeautjes. ’